Het belang van het kind: geen vrijbrief, maar ook geen voetnoot

Wanneer een verhuurder ontruiming vordert van een woning waarin ook minderjarige kinderen wonen, speelt er meer dan alleen een geschil over de huurovereenkomst. Op 28 november 2025 gaf de Hoge Raad in een beslissing duidelijkheid over de vraag hoe rechters moeten omgaan met de rechten van kinderen in dit soort zaken.

Wat is er gebeurd?

Woningcorporatie Ymere verhuurt sinds 1 oktober 2023 een woning aan een man en een vrouw. Zij hebben twee minderjarige kinderen. Kort na aanvang van de huurovereenkomst ontving de politie signalen dat vanuit de woning vuurwapens en munitie te koop werden aangeboden. In januari 2024 doorzocht de politie de woning en trof daarin harddrugs en munitie aan. In de voor de woning geparkeerde auto lag een doorgeladen vuurwapen. De man werd aangehouden en vastgezet.

Ymere sommeerde de huurders vervolgens de huurovereenkomst op te zeggen. Op grond van de algemene huurvoorwaarden is het immers verboden om in het gehuurde hennep te (doen) kweken of andere activiteiten te verrichten die bij of krachtens de Opiumwet strafbaar zijn gesteld. Zij deden dit niet.

Kort daarna, in april 2024, volgde een tweede politiedoorzoeking: opnieuw werden hasj, hennep en illegale munitie aangetroffen, waarna ook de vrouw als verdachte werd gehoord.

Voor Ymere was de maat vol. Zij startte een procedure en vorderde in kort geding ontruiming van de woning. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland zag zich gesteld voor een vraag die in de rechtspraktijk tot sterk uiteenlopende uitspraken leidde: welke rol speelt artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) bij de beoordeling van een ontruimingsvordering wanneer er ook minderjarige kinderen in de woning wonen? Hij stelde hierover negen vragen aan de Hoge Raad.

Wat oordeelt de Hoge Raad?

De Hoge Raad beantwoordt de vragen uitvoerig en geeft rechters een helder kader mee.

Het belang van het kind: hoge prioriteit
Artikel 3 lid 1 IVRK bepaalt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. De Hoge Raad maakt duidelijk dat dit niet betekent dat de belangen van het kind altijd de doorslag geven. Wel brengt de bepaling mee dat aan die belangen een bijzonder gewicht toekomt ten opzichte van de overige betrokken belangen. Als er kinderen in de te ontruimen woning wonen, moeten hun belangen, waaronder het recht op huisvesting (art. 27 lid 3 IVRK) en het recht om niet van hun ouders gescheiden te raken (art. 9 lid 1 IVRK), als ‘eerste overweging’ in de beoordeling worden betrokken.

De Hoge Raad benadrukt dat het gewicht dat toekomt aan verwijtbaar gedrag van de ouders de belangen van de bij hen wonende kinderen niet relativeert. De kinderen treffen immers geen blaam.

Alternatieve huisvesting
De beschikbaarheid van alternatieve huisvesting is een belangrijk gezichtspunt. Dakloosheid van een kind en scheiding van ouder en kind dient in beginsel te worden voorkomen. Het enkele feit dat dakloosheid of een scheiding tussen ouder en kind dreigt, betekent echter niet automatisch dat de ontruimingsvordering moet worden afgewezen. Het voorzien in alternatieve huisvesting ligt in de eerste plaats op de weg van de ouders en de overheid; niet op de weg van de verhuurder. Of een verhuurder een woningcorporatie is en om die reden over meer woningen beschikt, kan wel als omstandigheid meewegen.

Onderzoeksplicht van de rechter
De Hoge Raad maakt duidelijk dat de rechter op grond van artikel 3 lid 1 IVRK zo nodig uit eigen beweging dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in hun belang is. De rechter mag hiervoor gebruik maken van zijn instructiebevoegdheid (art. 22 lid 1 Rv). Hij mag echter niet buiten de zitting om op eigen initiatief informatie inwinnen bij gemeenten of hulpverleningsinstanties: artikel 3 lid 1 IVRK biedt daarvoor geen grondslag, en ook het nationale recht kent die grondslag niet.

In zaken waarin de huurder niet verschijnt in de procedure (verstekzaken), moet de rechter het doen met de informatie die de verhuurder hem kan verschaffen. Beschikt de verhuurder niet over informatie over de aanwezigheid van kinderen en kan hij die ook niet redelijkerwijs verkrijgen, dan levert dat op zichzelf geen reden op om de vordering af te wijzen.

Mogelijkheden
Als de rechter tot het oordeel komt dat de ontruimingsvordering toewijsbaar is, beschikt hij over een gereedschapskist aan mogelijkheden om rekening te houden met de belangen van de betrokken kinderen. Hij kan bijvoorbeeld een langere ontruimingstermijn hanteren, zijn beslissing aanhouden om het zoeken naar alternatieve huisvesting te faciliteren of de veroordeling tot ontruiming verbinden aan de voorwaarde dat in adequate opvang voor de kinderen is voorzien. Bij dit alles moet de rechter ook het belang van de verhuurder bij ontruiming en de urgentie daarvan in het oog houden.

Slotsom

De beslissing is helder: de aanwezigheid van kinderen in een te ontruimen woning is geen vrijbrief voor huurders die ernstig tekortschieten om onder een ontruiming uit te komen, maar evenmin een voetnoot die verhuurders mogen overslaan.

Voor verhuurders – en zeker voor woningcorporaties – betekent dit dat zij bij een ontruimingsvordering actief onderzoek moeten doen naar de aanwezigheid van kinderen en de mogelijkheden van alternatieve huisvesting. Wie dat zorgvuldig doet en zijn dossier op orde heeft, staat sterker.

Heeft u als verhuurder te maken met een ontruimingsgeschil waarbij kinderen betrokken zijn? Of wilt u weten wat deze uitspraak voor uw situatie betekent? Neem dan contact met ons op.

Lees hier de uitspraak van de Hoge Raad.